Algemeen
Vermijd kortsluiting:
Leg nooit metalen voorwerpen op de batterij-polen
Vermijd ontploffing:
Gedurende het laden geen open vuur in de nabijheid, niet roken,
niet lassen of snijden
Vermijd corrosie:
Houd de batterij schoon en droog. IJzerwerk en polen met zuurvrije
vaseline invetten. Indien het ijzerwerk reeds is gecorrodeerd,
dit met sodawater neutraliseren en met schoon water naspoelen.
Daarna met epoxyverf behandelen.
Vermijd vernieling:
Dit is vooral belangrijk bij autobatterijen. NOOIT, maar
dan ook NOOIT, terwijl de motor loopt, een van de batterijklemmen
losnemen.
De dynamo levert doorgaans een veel hogere spanning dan de batterijspanning
en daardoor kan de systeemspanning veel hoger worden als de batterij
ontkoppeld wordt. Deze zorgt er n.l. voor dat de systeemspanning
niet boven een ontoelaatbare waarde uitkomt. Neemt men tijdens
een draaiende motor een van de batterijklemmen los, dan kan dit
totale verwoesting van het elektrische systeem betekenen.
Indien iemand u voorstelt de batterij los te nemen, om b.v. de
dynamo te testen, spreek dan een krachtig NEE uit!
Het installeren van een nieuwe batterij
- Maak de batterij grondig schoon, zowel bak als klemmen. Markeer vervolgens de kabels zodat deze weer op de juiste wijze aangesloten worden. Meestal zijn de klemmen gemerkt.
- Maak eerst de negatieve
kabel los, hierdoor voorkomt men dat sluiting gemaakt kan worden
met het gereedschap. Vervolgens de positieve kabel en dan
de strip waarmee de batterij op zijn plaats gehouden wordt. Indien
de strip erg gecorrodeerd is dient deze vervangen te worden.
Haal vervolgens de batterij van zijn plaats en breng hem op een
later tijdstip naar een recycling bedrijf. Wees altijd voorzichtig
met het transport, het elektrolyt is zeer agressief en kan
lelijke verwondingen toebrengen. Het dragen van een veiligheidsbril
is wenselijk.
- Zodra de batterij van zijn plaats is, de batterijhouder en kabelklemmen
goed schoonmaken, er zijn metaalborsteltjes in de handel
in de vorm van een tandenborstel, deze lenen zich heel goed voor
dit werk. Vooral de binnenkant van de klemmen is erg belangrijk.
Kijk ook goed of de kabels op de overgang naar de klem niet gecorrodeerd
zijn, anders vervangen. Slechte verbindingen geven overgangsweerstanden
en veroorzaken onnodige spanningsval.
- Smeer de klemmen en batterijpolen dun in met zuurvrije vaseline,
dit voorkomt corrosie
- Plaats de nieuwe batterij zo dat de negatieve pool overeenkomt
met de negatieve kabelklem, sluit men de kabels verkeerd
aan dan kan dat ernstige gevolgen voor het elektrische systeem
hebben, in het ergste geval kan het totaal vernield worden. Overtuig
u er daarom goed van of de polariteit goed is.
- Nadat men eerst de batterij vastgezet heeft met de bevestigingsstrip
sluit men de kabels in omgekeerde volgorde weer aan, dus eerst
de positieve en pas daarna de negatieve. Alweer
om kortsluiting door het gebruik van sleutels e.d. te voorkomen.
Bedenk dat een flinke batterij honderden ampères
kan leveren gedurende enkele tientallen seconden.
- Voordat men nu de batterij gaat gebruiken controleert men als
laatste of het elektrolyt niveau in de cellen voldoende
hoog staat, anders bijvullen.
Elektrolyt
Wees altijd uiterst
voorzichtig bij het werken met elektrolyt. Draag beschermende
kleding en een veiligheidsbril. Zorg ook voor voldoende ventilatie.
De soortelijke massa (S.M.) van het elektrolyt bij 27 oC
dient ongeveer 1280 [kg/m3] te bedragen. Per 10 oC
lagere temperatuur moeten 7 punten van de gemeten waarde worden
afgetrokken en omgekeerd bij elke 10 oC hogere temperatuur
moeten 7 punten worden opgeteld. De S.M. meting wordt meestal
uitgevoerd op de vloeistof net boven de platen en kan daarom aanleiding
geven tot meetfouten. Er is enige tijd nodig voor een goede menging,
vooral tijdens het laden, c.q. ontladen.
Bijvullen dient altijd te geschieden met gedestilleerd water.
Alléén na het laden mag worden bijgevuld. Indien
men vóór het laden bijvult loopt men de kans dat
door het warm worden tijdens het laden de vloeistof zodanig uitzet
dat deze overloopt. Gedestilleerd water altijd in een niet metalen
fles bewaren. N.B. Nooit bijvullen met zwavelzuur, alleen het
water verdwijnt! Bijvullen tot aan de onderkant van
de daarvoor aanwezige indicator. Er moet in ieder geval worden
bijgevuld indien het niveau gezakt is tot onder de bovenkanten
van de platen. Vermeden dient te worden, dat zo hoog wordt bijgevuld
dat het elektrolyt eruit loopt, aangezien dan het S.M. teveel
daalt. Nooit leidingwater of andere vloeistoffen gebruiken.
Leidingwater bevat opgeloste metalen, deze zijn desastreus voor
uw batterij. Laat u niet ompraten door zogenaamde deskundigen!
Laden en ontladen
Laden moet zo mogelijk onmiddellijk na de ontlading gebeuren.
Laat een batterij nooit in ontladen toestand staan. Te diep ontladen
batterijen nooit meteen met de volle laadstroom laden, eerst een
vereffeningslading toepassen totdat de S.M. 1125 tot 1135 bedraagt.
Daarna kan de normale laadstroom ingeschakeld te worden. De batterij
is geheel vereffend, indien de spanning gedurende 3 achtereenvolgende
uren niet meer toeneemt. De S.M. mag gedurende deze periode ook
niet meer toenemen, in het algemeen is dan 1260 á
1280 bereikt. Bij regelmatige overladingen of te diepe ontladingen,
moet men er terdege rekening mee houden dat de batterij spoedig
het loodje legt. Ook moet men nooit proberen batterijen te laden
waarvan het elektrolyt bevroren is. Bij een totaal lege batterij
geschiedt dit al vrij gauw.
Wordt een batterij heet of begint hij sterk te borrelen dan de
lading onderbreken of indien dit mogelijk is, de laadstroom kleiner
maken.
Is een batterij volledig ontladen dan is het beter deze niet met
de gebruikelijke laadstroom te laden maar te werk te gaan volgens
onderstaande tabel:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bij automobielen: Als een lader gebruikt wordt terwijl
de batterij nog aangesloten is op het systeem, is het verstandig
de negatieve batterijklem los te nemen. Mocht om een of andere
reden de uitgangsspanning van de lader erg hoog worden dan zou
het systeem schade op kunnen lopen. Meestal vertrouwt men erop
dat de batterij de zaak wel in bedwang houd, maar in bepaalde
gevallen is het mogelijk dat er toch schade ontstaat.
Indien u over gaat op een ander type batterij kan het zijn dat
u het laadproces moet aanpassen, neem in dat geval contact op
met de leverancier van de batterij.
Samenvattend:
geladen: S.M. 1260 à
1280
half geladen: S.M. ± 1200
ontladen: S.M. 1125 à 1135
Met behulp van een zuurweger kan men veel over de toestand van
de batterij te weten komen. Dit kan men ook indien men beschikt
over een goede, liefst digitale voltmeter.
Welke methode u wilt toepassen staat u vrij, indien men de metingen
goed uitvoert zijn beide betrouwbaar. Wanneer men voor de spanningsmeting
kiest dan moet men wel bedenken dat ook de batterijspanning, net
als bij de S.M. meting, eerst dan de absolute rustspanning aangeeft
nadat de batterij gedurende 1 à 2 uur met rust is gelaten.
Uit de batterijspanning kan men de S.M. waarde berekenen, er is
n.l. het volgende verband:
Voorbeeld:
Meet men een rustspanning van 12.36 V dan is de celspanning 12.36
/ 6 = 2.06 V
De soortelijke massa is dan S.M. = 2.06 - 0.84 = 1.220
Nadeel van de spanningsmetingsmethode
is dat men niet de spanning per cel kan meten, alleen de totale
batterijspanning. Zodoende kan men alleen maar een gemiddelde
bepalen over de gehele batterij, hetgeen het niet mogelijk maakt
slecht functionerende cellen te lokaliseren.
Met de zuurwegermeting is dit bij veel batterijen nog wel mogelijk,
men kan via de vuldoppen de S.M. van elke cel onafhankelijk bepalen.
Alleen bij zgn. onderhoudsvrije batterijen is dit ook helaas meestal
niet meer mogelijk.
De waarde van de S.M.
is zeer belangrijk om de ladingstoestand van de batterij te weten.
De concentratiedaling van het elektrolyt, d.w.z. van de S.M. is
exact evenredig met het aantal geleverde ampère-uren. Omgekeerd,
de stijging is recht evenredig met het aantal geladen Ah.
De waarde van de S.M. wordt wel verschillend weergegeven, volgens
de SI standaard moet het opgegeven worden in kg/m3
maar men ziet ook vaak de waarde in kg/dm3 of ook wel
in g/ml (vaak op zuurwegers)
Onderstaande figuur is toegevoegd om een en ander te verduidelijken.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Nummering van de cellen
In geval van niet tot
overeenstemming te kunnen komen met de leverancier aangaande defecte
batterijen is het gunstig een soort logboek bij te houden waarin
men alle handelingen die de batterij(en) betreft in noteert. Dit
kan soms uitermate belangrijk zijn, ook al i.v.m. het kunnen achterhalen
wat en waarom iets fout gegaan is.
Om de cellen te kunnen controleren en om dit te kunnen noteren,
is het noodzakelijk de cellen te nummeren volgens een steeds aan
te houden schema.
De cel die het dichtst gelegen is bij de positieve pool b.v. nummer
1, de volgende 2 enz.
Vervolgens kan men naar een zelf samengestelde code aangeven wat
er gebeurd is, cellen met water bijgevuld, extra geladen, vereffeningslading,
datum van buitengebruikstelling enz.
Wat is het doel van een loodzwavelzuur cel?
Het doel van een loodzwavelzuur cel is het langs chemische weg opslaan en weer afgeven van elektrische energie.
Opbouw van een loodzwavelzuur cel
Een cel bestaat uit:
1. Positieve platen.
2. Negatieve platen.
De platen zijn onderling gescheiden door kunststof separatoren (separatie), welke microporeus zijn. Het geheel is samengebouwd in een kunststof bak welke daarna gevuld wordt met verdund zwavelzuur (het elektrolyt).
Wat is een batterij?
Een batterij bestaat uit een aantal gelijke cellen welke in serie geschakeld zijn. Het geheel wordt kortweg batterij genoemd.
Het doel van de batterij
Het doel van de batterij is het opslaan van elektrische energie, welke op elk willekeurig tijdstip gebruikt kan worden.
Wat gebeurt er in een cel tijdens het ontladen?
Wanneer een cel wordt
ontladen, gebeurt het volgende. Aan de positieve plaat ontstaat
door opname van zuur uit het elektrolyt loodsulfaat, daarbij water
vormend. Aan de negatieve plaat ontstaat door opname van zuur
uit het elektrolyt eveneens loodsulfaat. De hoeveelheid vloeistof
in de cellen blijft echter nagenoeg gelijk. Het zuurgehalte in
het elektrolyt vermindert echter, hetgeen is te constateren aan
de verandering van de soortelijke massa. De soortelijke massa
is daardoor een maatstaaf voor de ladings- of ontladingstoestand
van de batterij.
In formulevorm kan men dit als volgt weergeven:
Negatieve pool Pb
+ SO4= -> PbSO4 + 2e-
Positieve pool PbO2 + 2H+
+ H2SO4 + 2e- ->
PbSO4 + 2H2O
Wat gebeurt er in een cel tijdens het laden?
Tijdens het laden vindt het omgekeerde plaats als bij het ontladen, bovengenoemde processen lopen dan ook van rechts naar links. Aan beide platen komt zuur vrij terwijl de platen zich omzetten in loodoxide. Zodra de batterij vol is kan deze geen energie meer opnemen en wordt de toegevoerde energie gebruikt om water te ontleden in waterstofgas en zuurstofgas. Dit is een uiterst explosief mengsel. In verband hiermee is het dus duidelijk waarom de aanwezigheid van open vuur of vonken in de nabijheid van een batterij tijdens het laden zeer gevaarlijk kan zijn. Het verdient dan ook aanbeveling de laadruimte is voorzien van een doeltreffende ventilatie!
Capaciteit
De hoeveelheid energie
welke opgeslagen kan worden hangt af van de grootte van de platen.
De capaciteit wordt uitgedrukt in Ampère-uren (Ah). Daar
tengevolge van zeer hoge ontlaadstromen het beschikbare aantal
Ah, tengevolge van diverse factoren afneemt en omgekeerd bij lagere
ontlaadstromen het aantal beschikbare Ah. gunstiger wordt, is
het noodzakelijk bij de opgave van de batterijcapaciteit de daarbij
behorende ontladingstijd te vermelden. B.v. een batterij van 400
Ah./5h kan gedurende 5 uren continu 80 Ampère afgeven.
Er bestaat een verband tussen de capaciteit van een batterij en
de tijd dat deze een bepaalde stroom kan leveren. Dit is onderzocht
door Peukert, deze vond de volgende relatie:
Cp = In*t
waarin:
Cp de Peukert
capaciteit is
I de belastingstroom in A
n de Peukertcoefficient
t de tijd in uren
Voor diegenen die graag rekenen is een kant en klaar programmaatje
te downloaden. perform.exe
Gedurende de levensduur van de batterij neemt de capaciteit geleidelijk af, kies daarom de batterij-capaciteit zodanig dat bij 80% capaciteit de batterij zijn werk nog kan doen, dit voorkomt problemen op langere termijn. Controleer daarom regelmatig:
1. of de batterijlader automatisch uitgeschakeld is na de lading
2. of de batterij voldoende geladen is (soortelijk gewicht van het elektrolyt meten)
3. of de beginlaadstroom in overeenstemming is met de specificatie van de batterijlader.
De capaciteit van batterijen
wordt vaak op diverse wijze omschreven.
Men geeft deze aan met CCA, MCA, HCA, CA en RC
Onder CCA (Cold Cranking Amps) verstaat men het aantal
ampères dat een batterij bij -17.8 oC gedurende
30 seconden kan leveren zonder dat de batterijspanning beneden
7.2V daalt.
MCA (Marine Cranking Amps), HCA (Hot Cranking Amps)
en CA (Cranking Performance Amps) zijn soortgelijke grootheden.
Daartussen bestaat de volgende relatie:
CA x 0.8 = CCA
HCA x 0.68 = CCA
De CCA norm is een SAE
norm, deze kan men omrekenen naar de DIN norm.
DIN koudstartstroom = CCA x 0.63
Onder RC (Reserve Capacity) verstaat men het aantal minuten
dat een batterij 25 A bij 26.7 oC kan leveren zonder
dat daarbij de batterijspanning beneden 10.5V daalt.
Laadsystemen
De meest gebruikelijke methode voor het laden van batterijen is die, waarbij de wisselstroom uit het net door middel van batterijladers wordt omgezet in gelijkstroom van de vereiste spanning en stroomsterkte. Het door deze batterijladers af te geven vermogen moet zijn aangepast aan de capaciteit van de batterij. Het meest wordt de methode gevolgd van de individuele batterijlading, d.w.z. één batterij wordt aangesloten op één batterijlader. Deze batterijladers hebben een laadkarakteristiek, waarbij de lading aanvangt met een naar verhouding hoge stroom, die automatisch afneemt naarmate de batterijspanning tijdens de lading oploopt. Deze batterijladers zijn voorzien van een laadautomaat die er voor zorgt dat de batterijlader op tijd wordt uitgeschakeld. Overlading is eveneens schadelijk voor de levensduur van een batterij. Overlading kan plaatsvinden door:
a. Laden met een te grote stroom tijdens de gasontwikkeling (het borrelen)
b. Onnodig doorladen
Laadstroom
Het is van het grootste
belang dat de laadstroom waarmee de batterij na gebruik herladen
wordt voldoet aan de door de batterij-leverancier gestelde eisen.
Afhankelijk van het vermogen van de lader ligt de normale laadtijd
tussen 8 en 15 uur. In sommige gevallen, wanneer men over voldoende
laadtijd beschikt kan men volstaan met een goedkopere, kleinere
lader. Waak u echter voor ladingstekort. Afhankelijk van de laadstroom
beginnen de cellen bij 70% tot 90% van de laadtoestand gas te
ontwikkelen. Wanneer men regelmatig de cellen sterk laat gassen,
vooral in combinatie met diepe ontladingen, dan zal er spoedig
actief materiaal uit de platen vallen en dus de levensduur van
de batterij bekorten. Behalve slijtage geeft dit ook een hoog
waterverbruik. Zodra de gasontwikkeling begint dient de laadstroom
beperkt te worden tot 5 à 10 A per 100 Ah batterijcapaciteit
en bij het bereiken van ca. 2.7 V/cel (16.3V bij een 12V batterij)
zelfs tot 2.5 à 5 A per 100 Ah.
Ook het doorladen, zelfs met kleine stroom, kan schadelijk voor
de batterij zijn. Er treedt corrosie op van de roosters van de
positieve batterijplaten. Tijdens het laden is het niet nodig
de vuldoppen los te nemen. Het is zeer belangrijk dat men batterijen
die meer dan 50% ontladen zijn, direct weer te laden. Het gedurende
langere tijd laten staan van ontladen batterijen veroorzaakt sulfateren
van de platen. Tijdens de ontlading vormt zich loodsulfaat op
de platen. Onder normale omstandigheden heeft dit een amorfe structuur.
Wanneer een batterij zeer ver ontladen is of gedurende langere
tijd niet geladen, dan gaat dit loodsulfaat uitkristalliseren.
Deze relatief grote sulfaatkristallen belemmeren het ladings-
en ontladingsproces en veroorzaken daardoor blijvend capacitietsverlies.
Zodra de temperatuur van het elektrolyt boven 55 oC
komt, dient men het laadproces te stoppen. Hoge temperaturen zijn
ook schadelijk voor batterijen. Indien de laadspanning gedurende
2 uur niet meer toeneemt kan men de batterij als geladen beschouwen,
de soortelijke massa van het elektrolyt zal dan ook niet meer
toenemen. Onderstaande tabel geeft een overzicht voor een globale
ladingstoestand.
|
|
|
|
rustspanning in V |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Onder de rustspanning wordt verstaan de spanning tussen de polen
nadat de batterij 1.5 à 2 uur geen stroom ontvangen of
geleverd heeft. De spanning dient het liefst met een digitale
meter gemeten te worden, verdienen verre de voorkeur boven een
analoge meter.
Laadfactor.
In de praktijk blijkt
dat men meestal 1.1 à 1.2 maal de hoeveelheid Ah moet laden
als vooraf aan de batterij onttrokken. Dit noemt men de laadfactor
en is onder meer afhankelijk van de batterij constructie en de
benutte laadstroom. Hieronder volgt een voorbeeld.
Een batterij is gedurende 8 uur met 5 A ontladen, aan de batterij
is dus onttrokken 8 x 5 = 40 Ah. Om dit weer aan te vullen moet
men de batterij met 40 x 1.2 = 48 Ah laden, b.v. 12 uur bij 4
A.
Andere laadsystemen
Hierbij zijn te onderscheiden:
1. Normaal laden
Deze methode wordt gebruikt
om een geheel of gedeeltelijk ontladen batterij weer op zijn volle
capaciteit te brengen. Dit gebeurt meestal met een kleine laadstroom,
5 à 10% van de capaciteit. Vereist is dat deze laders de
stroom verlagen zodra de batterij gaat gassen en de lader afschakelt
zodra de batterij vol is.
2. Snelladen
Hierbij wordt de batterij met een veelvoud van de gebruikelijke laadstroom geladen (3 à 5 maal). Kans op overlading is hierbij erg groot, dus de lader moet in staat zijn op een kleinere stroom over te schakelen zodra de gasspanning bereikt is (2.35 à 2.4 V/cel). Deze methode past men toe om in korte tijd tot een acceptabele ladingstoestand van de batterij te komen maar wordt slechts zelden toegepast.
3. Bufferladen
Wanneer verbruiker en lader gelijktijdig op de batterij aangesloten zijn dan spreekt men van bufferladen. De stroompieken van de verbruiker worden dan door de lader steeds weer gecompenseerd, de laadstroom is dusdanig dat de batterij vrijwel vol blijft. Voor deze laadmethode gaat men meestal uit van een lader met constante spanning.
4. Druppelladen
Een batterij die niet gebruikt wordt, verliest door zelfontlading zijn lading. In dit geval zijn lood-calcium batterijen beter dan lood-antimoon batterijen. Een volledig geladen lood-antimoon batterij verliest zijn lading in ruim 6 maanden, een lood-calcium batterij in 20 maanden. Men compenseert dit ladingsverlies met een zgn. druppellader, deze levert slechts een zeer kleine laadstroom, ongeveer 0.1 A per 100 AH batterijcapaciteit.
Keuze van de batterijlader
Batterijladers zijn er in allerlei maten en vormen, met diverse laadkarakteristieken. Omdat de keuze van de lader van belang is voor de bedrijfszekerheid en levensduur van de batterij is het verstandig hierover met de batterij-leverancier contact op te nemen. Hieronder volgen om inzicht te krijgen in de verschillende typen, enige laadkarakteristieken.
W en WA karakteristiek
Afnemende laadstroom I bij stijgende celspanning Vc
uitschakeling handmatig of via automaat (b.v. 4 uur na bereiken van Vc = 2.4 V)
WoWA karakteristiek
2 traps-lading
omschakeling bij celspanning Vc = 2.4 V op lagere laadstroom I
uitschakeling via automaat
WU karakteristiek
Lading met afnemende stroom I tot celspanning Vc = 2.4 V
daarna met constante spanning
geen uitschakeling i.v.m lage eindwaarde van de laadstroom I
IU karakteristiek
Lading met constante stroom tot celspanning Vc = 2.4 V
daarna met constante spanning
geen uitschakeling i.v.m. lage eindwaarde laadstroom I
IUI karakteristiek
Lading met constante stroom tot celspanning Vc = 2.4 V
daarna met constante spanning totdat laadstroom 50% van de beginwaarde is vervolgens wordt met deze stroom doorgeladen tot batterij vol is
Om dit te kunnen verwezenlijken is een lader vereist welke gestuurd wordt
door een microprocessor, d.w.z. deze laders zijn niet goedkoop
- Verlies aan elektrolyt, hetzij door te hoge temperatuur op de plaats waar de batterij staat of door overlading.
- Te diep ontladen, des te dieper een batterij ontladen wordt, des te korter wordt zijn levensduur. Er worden echter batterijen, zgn. deep cycle batterijen, gemaakt die beter geschikt zijn voor toepassingen waar de batterijen steeds diep ontladen worden.
- Verkeerde toepassing of een veel te kleine capaciteit gekozen
- Onvoldoende geladen, laadspanning te laag
- Blootgesteld aan extreme trillingen, hierdoor valt actief materiaal uit de platen
- Gebruik van leidingwater i.p.v. gedemineraliseerd water
- Corrosie
- Bevriezing
|
|
|
|
|
Spanning zakt in elkaar tijdens starten |
- Defecte batterij - Gesulfateerde batterij - Te kleine batterij |
Batterij vernieuwen |
|
(s.g. < 1.24) |
- Sluiting in circuit |
Laadcircuit controleren |
|
(s.g. > 1.29) |
gedestilleerd water |
en met water bijvullen |
|
|
- Sluiting in circuit - Batterij inwendig vervuild slib onder in de bak - Batterij gesulfateerd |
Gereden afstanden te kort Batterij vernieuwen |
|
|
gekozen - Batterij regelmatig te diep ontladen - Te lang ongeladen laten staan |
het juiste type batterij is Regelmatig extra bijladen |
|
borrelen bij hoge belasting |
- Defect tussenschot |
|
|
warm en heeft hoog water verbruik |
- Te hoge laadspanning |
(spanningsregelaar) |
|
|
- Batterij te ver ontladen |
|
|
ingebrande polen |
|
vernieuwen |
|
|
- Te lang opgeslagen geweest |
Opnieuw goed doorladen s.g. elektrolyt meten |
|
|
grote stroom geladen - Batterijbak lek |
Batterij vervangen |
|
|
|
|
|
|
( defecte dioden ) - Onjuist geladen - Fout bij fabriek |
daarna op de juiste manier laden. Batterij evt. vervangen |
|
|
- Open vuur of vonk - Inwendige breuk - Tijdens belasting polen los- cq. vastgekoppeld |
|