
Zodra je de praktijk van een tandarts binnenkomt raak je beduusd van de kreten die je dan in eens om je oren krijgt. Occlusaal, sealing, apex-resectie, buccaal, distaal, het draait je gewoon behoorlijk voor de ogen. Natuurlijk, dit is het vakjargon van de tandarts en zijn assistente.
Met de paar kreten die zijn blijven hangen ben ik Internet eens opgegaan om me enigszins in ons gebit te verdiepen. Een en ander bij elkaar gesprokkeld te hebben kwam ik tot het volgende resultaat.
Het gebit
Het gebit wordt gevormd door tanden en kiezen. De tanden en kiezen
worden ook wel gebitselementen of kortweg elementen genoemd. Daarbij
wordt een onderscheid gemaakt tussen het melkgebit en het blijvend
gebit.
Op basis van vorm en functie worden de elementen ingedeeld in
Met de incisieven kun je afbijten.
De incisieven uit de boven- en onderkaak werken samen als een
soort schaar.
Met de hoektanden kun je voedsel grijpen en afscheuren. Met de
(pre)molaren kun je kauwen.
Je kunt daarmee het voedsel vermalen voordat je het doorslikt.

GEBITSELEMENTEN
Het melkgebit bevat in totaal 20 elementen. Het blijvend gebit
bevat in totaal 32 elementen. Deze elementen zijn gelijk verdeeld
over de boven- en onderkaak. Per kaak bevat het melkgebit dus
10 elementen en het blijvend gebit 16 elementen. Per kaak vind
je in het melkgebit :
Opgeteld zijn dat dus inderdaad 10 elementen.
Zo vind je per kaak in het blijvend gebit:
En als je dit weer bij elkaar optelt kom
je zoals was te verwachten uit op 16 elementen.
Zowel in het melkgebit als het blijvend gebit worden de middelste
2 incisieven centrale incisieven genoemd.
De 2 buitenste incisieven noemen we de laterale incisieven. Zij
zijn wat kleiner van vorm dan de centrale incisieven.
Ons gebit is een belangrijk onderdeel van ons lichaam. Het is
dan ook logisch dat dagelijkse verzorging en regelmatig tandartsbezoek
noodzakelijk zijn om het gebit in goede staat te houden.
Er zijn 3 functies van het gebit te onderscheiden :
Het 'two digit system'
Het 'two digit system' is een internationaal gebruikt systeem,
dat alle gebitselementen een code geeft die bestaat uit twee cijfers.
Deze twee cijfers worden als twee aparte cijfers uitgesproken.
Dat wil zeggen dat de 21 wordt uitgesproken als de 'twee-een'
en niet als 'eenentwintig'.
Het eerste cijfer is een aanduiding voor het betreffende kwadrant,
het tweede cijfer is een aanduiding voor het betreffende element.
De kwadranten ontstaan door in gedachte een gebit in 4 gelijke
delen te verdelen in boven en onder, en in links en rechts.
DE KWADRANTEN


De indeling naar boven en onder is logisch.
Bij het bovenste gedeelte horen de elementen van de bovenkaak.
Onder de horizontale lijn zitten de elementen van de onderkaak.
De indeling naar links en rechts wordt bepaald door het links
of rechts gelegen zijn ten opzichte van de mediaanlijn. Dit is
de middellijn die ons lichaam precies in twee helften verdeelt.
De mediaanlijn loopt in het gebit dus precies tussen de centrale
incisieven van boven- en onderkaak.
Bij het gebruik van de termen links en rechts wordt altijd geredeneerd
vanuit de patiënt en dus niet vanuit de persoon die zich
tegenover de patiënt bevindt en het gebit bekijkt.
Tevens wordt onderscheid gemaakt tussen blijvende dentitie en
een melkdentitie
Aldus ontstaat de volgende indeling:
De gebitselementen worden genummerd te beginnen
bij 1, vanaf de mediaanlijn oplopend richting het gebied van de
kiezen tot maximaal nummer 8.
Voor de blijvende dentitie gaat dat als volgt:
1 = centrale incisief
2 = laterale incisief
3 = cuspidaat
4 = eerste premolaar
5 = tweede premolaar
6 = eerste molaar
7 = tweede molaar
8 = derde molaar
Voor de melkdentitie:
1 = centrale melkincisief
2 = laterale melkincisief
3 = melkcuspidaat
4 = eerste melkmolaar
5 = tweede melkmolaar
De koppeling van een cijfer voor een kwadrant met het plaatsnummer
van een bepaald element geeft uiteindelijk het elementnummer.
In de gebitsboog staan de elementen tegen elkaar aan. Het contactoppervlak
is zeer klein: het contactpunt. Onder het contactpunt bevindt
zich een ruimte tussen de elementen: de interdentale of approximale
ruimte. De vlakken aan die kant heten dan ook de approximale vlakken.
Samengevat heeft ieder gebitselement dus 5 vlakken:

Het gebitselement
Een tand of kies bestaat uit twee delen. Het ene deel dat zichtbaar
is in de mond en het andere onzichtbare deel waarmee het vastzit
in de kaak. Het zichtbare deel heet de kroon en het onzichtbare
deel heet de wortel.
De kroon van een tand of een kies wordt bedekt door een stevige
laag glazuur.
Onder dat glazuur bevindt zich het tandbeen of dentine. In de
kern van dat dentine bevindt zich de zenuwholte of pulpaholte.
In deze pulpaholte bevinden zich de tandzenuw en wat bloedvaten
en lymfevaten. Het geheel van zenuw, bloed- en lymfevaten noemen
we de pulpa, dat verklaart waarom we spreken van een pulpaholte.
Alleen de kroon van een tand of kies is bedekt met glazuur. De
wortel bestaat alleen uit dentine met daarin de uitlopers van
cellen die zich bevinden in de pulpaholte. Het verschil tussen
het glazuur en het dentine is opvallend.
Glazuur is licht van kleur tot bijna wit, terwijl het dentine
gelig bruin van kleur is. De grens tussen het glazuur en het dentine
is door dit kleurverschil erg opvallend.
Deze grens heet de glazuur-dentinegrens.
Het meer kwetsbare dentine van de wortel van een tand of kies
is bedekt met een stevig vlies. Als een sealverpakking zit dit
vlies strak om de wortel. We noemen dit vlies het wortelvlies
of periodontium. Het wortelcement zorgt voor een stevige verbinding
tussen de wortel en dit vlies. De verbinding van het wortelvlies
met het kaakbot heet de lamina cribrosa.
Bij een tand en een kies wordt de grens tussen de kroon (met glazuur
bedekt) en de wortel (niet met glazuur bedekt) de glazuur-cementgrens
genoemd.
De tand of kies zit met de wortel verankerd in het kaakbot. De
ruimte in het kaakbot die plaats biedt aan de wortel heet de tandkas
of alveolus.
In het wortelvlies lopen heel veel korte vezeltjes. Deze constructie
van vele strakke vezeltjes tussen de twee vliezen zorgt voor de
verankering van de tand en kies in het kaakbot en heeft een schokbrekerfunctie
bij het opvangen van krachten op het gebitselement. De ruimte
waarin deze korte vezeltjes lopen heet parodontale spleet of (meer
gebruikelijk) de periodontale spleet. De periodontale spleet loopt
helemaal rondom de wortel van een tand of kies.
Het uiteinde van de wortel van een tand of kies heet de wortelpunt
of apex.
In deze apex zit een kleine opening waardoor het pulpaweefsel
(het geheel van zenuw, bloed- en lymfevaten) de pulpaholte binnengaat.
Deze opening noemen we het foramen of heel deftig het foramen
apicale.
De bovenkant van een kies is opgebouwd uit knobbels. Hierdoor
grijpen de boven- en onderkiezen beter in elkaar. Dat geeft een
goede kauwfunctie.
Tussen de knobbels zien we groeven in het glazuur op het kauwvlak
van een kies. Een dergelijke groef noemen we een fissuur.
Voor diegenen die meer willen weten verwijs ik naar het Internet,
met enkele van de hier gebezigde vaktermen zal het niet moeilijk
zijn andere artikelen over dit onderwerp te vinden.