Het geallieerde antwoord op de Wolfpack's van Admiraal Dönitz

Inleiding.

Op 7 mei 1915 vuurde de U-20, een Duitse onderzeeboot onder commando van Kapitänleutnant Walther Schwieger zonder enige waarschuwing een torpedo af op de Lusitania. Dit Britse lijnschip had 1962 personen aan boord waarvan er 1201 het leven lieten *. Binnen 18 minuten was het schip in de golven verdwenen.
Een schok van verontwaardiging ging over de wereld over een dergelijke oorlogsdaad. De Duitsers verdedigden zich echter met de opmerking dat het niet om een onbewapend passagiersschip ging, maar om een bewapend passagiersschip dat in haar ruimen ook nog eens een forse hoeveelheid munitie vervoerde. Inderdaad was de Lusitania in 1913 in het geheim voorzien van geschut en vervoerde het inderdaad munitie (hetgeen door de instanties echter ontkend werd). In de oorlogsjaren die hierop volgden werd de Untersee Boot steeds verder geperfectioneerd en werd een geducht aanvalswapen, zowel in WOI als WOII.

* Over het aantal personen welke aan boord waren en slachtoffers lopen de cijfers nogal uiteen, een andere bron meldt 1150 passagiers en 700 bemanningsleden. Het aantal slachtoffers zou 1198 zijn waaronder 35 kinderen.

De Tweede wereldoorlog.

De U-boten vormden een van de meest succesvolle onderdelen van de Duitse Kriegsmarine.
De organisatie berustte bij Grossadmiral Karl Dönitz. Deze eerzuchtige marine-officier was van mening dat wanneer hij maar over voldoende U-boten beschikte, hij daarmee de zeevaartroutes die van levensbelang waren voor Groot Brittanië, volledig lam kon leggen. Daartoe zou hij over 300 U-boten moeten kunnen beschikken.
Toen in september 1939 de oorlog uitbrak beschikte hij echter over 57 onderzeeërs, waarvan er slechts 45 operationeel waren. Ongeveer de helft daarvan was geschikt voor dienst in de Atlantische Oceaan. Ondanks problemen met torpedo's waren al vanaf het begin van de strijd de Duitse onderzeeërs bijzonder succesvol. Opmerkelijk was het succes van Günther Prien, die via een listige operatie er in slaagde met zijn onderzeeër de Britse marinebasis Scapa Flow binnen te dringen en daar het Britse slagschip, de Royal Oak tot zinken te brengen. Een waar stoutmoedig staaltje.

In het begin opereerden de U-boten alleen, doch later ging men over tot de zogenaamde Wolfpack tactiek, waarbij meerdere U-boten een konvooi volgden en toesloegen op onverwachte momenten. Vanaf dat moment hielden deze U-boten een ware slachting onder de geallieerde konvooien.
Gelukkig kreeg men steeds meer grip op de samenstelling van konvooien, qua samenstelling en begeleiding. Men kreeg radar en sonar (asdic) ter beschikking en men bestookte ontdekte U-boten koortsachtig met dieptebommen.
Nog meer grip kreeg men op de situatie toen men bij toeval op een U-boot stootte, deze verraadde zich door zijn periscoop. Het betrof de U-110, welke vervolgens met dieptebommen bestookt werd. Hierdoor ontstond forse schade aan de onderzeeër die daardoor gedwongen was naar de oppervlakte te komen. In eerste instantie wilde men de onderzeeër rammen om hem zodoende naar de diepte te jagen, maar men besloot inplaats daarvan de duikboot te inspecteren.
Daar vond men een werkende codeermachine, Enigma genaamd, en ook nog een verzegelde code.

Men zond deze machine vervolgens naar Bletchley Park, waar een wiskundige met een groot aantal medewerkers al geruime tijd bezig waren te proberen de code van Hitler te breken.
Men slaagde hier dan ook in en toen kon men de radiografische berichten aan de U-boten ontcijferen. De Duitsers kwamen daar echter snel achter en brachten een wijziging aan in de Enigma. Deze werkte eerst met drie tandwielen en werd voorzien van een extra tandwiel.
Maar met de ervaring die het team op Bletchley Park inmiddels opgedaan had kon men later ook deze code breken.

Ondertussen slaagden de U-boten er in, dank zij het 4e tandwiel, hun bewegingen gedurende een zekere tijd onzichtbaar te maken voor de geallieerden. Toen Amerika in de oorlog betrokken werd stoomden enkele U-boten naar de kust van Amerika en hielden daar behoorlijk thuis.
Ze slaagden er in gedurende het eerste halfjaar van 1942 bijna 400 Amerikaanse schepen tot zinken te brengen, hetgeen het leven kostte aan ongeveer 5000 zeelieden.

Zolang men de nieuwe code niet gebroken had konden de U-boten ongehinderd hun tochten vervolgen en brachten ze talloze schepen tot zinken. De bevoorrading van Groot Britannië stokte en het zag er even naar uit dat Duitsland de slag om de Atlantische Oceaan zou winnen.
Maar in het begin van 1943 kwam daar verandering in, men slaagde er in de nieuwe code te breken en men was aan een zeer ambitieus programma begonnen, in een hoog tempo schepen te bouwen. Dat werkte zo goed dat dit een keerpunt betekende in de strijd op de oceaan.
Men kon meer schepen van stapel laten lopen dan de U-boten in staat waren te torpederen.
Weliswaar was men in Duitsland en bezette gebieden in koortsachtig tempo bezig nieuwe U-boten te bouwen, maar het was al te laat. Na afloop van de oorlog bleek van de 1100 gebouwde U-boten er ongeveer 800 tot zinken gebracht te zijn. Aan de andere kant waren deze U-boten wel verantwoordelijk voor het verloren gaan van zo'n 3000 geallieerde schepen met een totale tonnage van circa 14 miljoen BRT (Bruto Register Ton)
Voor uitgebreide informatie over de U-boten zie: U-boot

 

De Geallieerde vrachtschepen.

De schepen welke men met grote vaart van stapel liet lopen waren allereerst de Liberty schepen *. Het duurde maar enkele dagen van kiellegging tot tewaterlating, men heeft het zelfs gepresteerd dit binnen 5 dagen voor elkaar te krijgen ( SS Robert E. Peary ). Ze werden op een groot aantal werven gebouwd. De kosten waren in verhouding gering, 2 miljoen dollar.
Het waren logge schepen, president Roosevelt noemde ze "ugly ducklings", maar omdat ze via een standaardprocedure gebouwd werden kon men ze snel in elkaar zetten.
De lengte was circa 135 meter (441.5 feet) en de breedte circa 17.5 meter (57 feet).
Aan nuttige lading kon 9146 BRT meegenomen worden. De snelheid was gering, 11 knopen, het vermogen, 2950 pk, werd geleverd door een 3 cilinder zuigerstoommachine, welke gevoed werd door twee oliegestookte ketels. De actieradius was 21000 zeemijlen .
De eerste Liberty welke gebouwd werd en te water gelaten op 27 september 1941, was de SS Patrick Henry. In totaal zijn er 2751 van gebouwd. Een Liberty kon bijna 3000 jeeps vervoeren.

In de latere oorlogsjaren werd een ander scheepstype aan de lopende band gebouwd, de zogenaamde Victory (officieel VC2). Een groot bezwaar van de Liberty's was namelijk hun geringe snelheid, 11 knopen. Hierdoor waren ze een makkelijke prooi voor de U-boten. De Victory was ontworpen voor een snelheid van 15 knopen. Haar lengte was 138.5 m (455 feet) en de breedte 19 m (62 feet). Ze was uitgerust met een stoomturbine met een vermogen van 6000 pk (AP2 type) of 8500 pk (AP3 type). Er zijn er 534 van gebouwd, de eerste droeg de naam SS United Victory en is, meen ik 28 februari 1942 te water gelaten. Merkwaardig genoeg is er ook één gebouwd met dieselmotor voortstuwing (Emory Victor)

Natuurlijk moest men, behalve over vrachtschepen, ook kunnen beschikken over voldoende tankschepen om de olievoorziening niet spaak te laten lopen. De belangrijkste tanker was deT2-tanker, het werkpaard onder de tankervloot.
Helaas heb ik niet veel gegevens van dit type schip.
De lengte bedroeg 159 m (523 feet) en de breedte 21 m (68 feet). Het werd voortgestuwd door een turbine die een elektromotor aandreef. Het vermogen was 6000 pk en daarmee bereikte men een snelheid van 16 knopen.
De laadcapaciteit was (afhankelijk van de lading) tussen 90.000 en 140.000 barrels ( 1 barrel = 162 liter)

 

* Omdat ik zelf het genoegen gesmaakt heb een jaar op een Liberty schip gevaren te hebben ben ik vanzelfsprekend erg geïnteresseerd in dit type schepen. Ik zou er graag een model van hebben, ondanks zijn eenvoud vond ik het een geweldig schip. Maar deze modellen zijn nogal prijzig, 800 dollar. Ik heb gevaren op de "Loosdrecht" van de rederij Phs. Van Ommeren. Gebouwd onder Hull-number 2172 op de werf van Richmond, Californië onder de naam Vernon L. Parrington. Na de oorlog kreeg het de naam Filips van Marnix, later omgedoopt tot Loosdrecht en uiteindelijk is het schip verkocht en kreeg het de naam Crescent. Het ging onder Panamese vlag varen, maar tijdens een verblijf in de haven van Hongkong is het door een typhoon op de kust geworpen en dermate averij opgelopen dat het schip ter plekke gesloopt is (1962).

Liberty vrachtschip

 

Victory vrachtschip

T2 tanker

Bovenstaande tekeningen zijn welwillend in bruikleen gegeven door de heer C.E. A. van Boeckel

Op zijn website VB PICTURES kunt u zeer veel scheepstypen vinden.

* * * * * * * *