Didam op Stelten
of Hoe goed behartigt de Gemeente Didam het welzijn van zijn inwoners?

Het onderstaande artikel is een opsomming van enkel feiten, een conclusie trekken wordt aan de lezer zelf overgelaten.

In ons dorp Didam staan omgeven door drie straten vijf dubbele bejaardenwoningen. Deze woningen zijn gesitueerd rondom een pleintje. Deze bejaardenwoningen waren op één na allemaal bewoond door alleenstaande vrouwen. Door het pleintje kon men goed sociale controle uitoefenen, zodra bij een van hen de gordijnen lang dicht bleven ging men eens kijken wat er aan de hand was. Kortom, men had daar zogezegd een goede buurt.

Dit veranderde echter toen een van deze woningen december 1999 vrij kwam en een echtpaar zich daar ging vestigen. De bewoner van dat perceel, de heer J. Peters, begon meteen aanspraken te maken op het pleintje en plaatste daar een tuinhuisje van 3 bij 3 meter op. Zeer tot ongenoegen van de overige bewoners omdat, behalve dat het pleintje dat toch al niet groot is, nog kleiner werd, vooral het uitzicht op elkaars woningen daar ernstig door gehinderd werd. Wanneer de overige bewoners over het pleintje liepen kregen ze van hem te horen dat ze daar niets te zoeken hadden.

De bewoners hebben toen een bezwaar kenbaar gemaakt bij de eigenaar van de woningen, de Stichting Laris (toen nog de naam Goed Wonen dragend) en die zijn komen kijken, hebben foto's gemaakt en de indieners van de klacht de mondelinge garantie gegeven dat de volgende maandag het verwijderd zou worden omdat zij bebouwing op het pleintje niet acceptabel vonden. Deze uitspraak wordt enige tijd later ook door de Gemeente bevestigd in een brief die zij over deze zaak naar de indieners van deze klacht gestuurd hebben. Kort daarna krijgt de heer Peters van de Stichting een brief waarin hem meegedeeld wordt dat men het illegale bouwwerk niet kan gedogen.

Weken gaan voorbij maar er gebeurt niets. Het tuinhuisje blijft waar het is. Zodra de klagers verhaal gaan halen bij de Woningstichting krijgen ze vreemde verhalen te horen, de Stichting weet eigenlijk niet van wie dat pleintje is, waarschijnlijk is het Gemeentegrond. Kortom, men wordt niets wijzer. Een brief naar het Kadaster geeft uitslag dat het pleintje eigendom van de Woningstichting is. De klagers, door de Woningstichting op het verkeerde been gezet dienen daarop een bezwaarschrift in bij de Gemeente, met daarin verwoord hun argumenten en een verzoek het illegaal geplaatste huisje af te laten breken.

De Gemeente komt echter met de mededeling dat het plaatsen van het huisje niet tegenstrijdig is met het bestemmingsplan en zal het daarom gedogen. Wel blijft van kracht dat de toestemming van de eigenaar van de grond daartoe vereist is. De Stichting antwoordt echter desgevraagd, wanneer de Gemeente het gedoogt zien wij geen reden het niet te gedogen.

Inmiddels is er een jaar voorbijgegaan en de heer Peters maakt alsnog melding van zijn voornemen dit huisje (dat er dus al een jaar staat) te gaan bouwen. Op deze melding wordt door de Gemeente positief gereageerd.
Met als voorwaarde dat hij binnen drie maanden moet begonnen zijn met de bouw ervan.

De klagers weten het ook niet meer en besluiten de Rijdende Rechter in te schakelen. Voor die tijd hebben ze tevergeefs enkele malen geprobeerd de Gemeente te overreden tot het houden van een hoorzitting, maar die werd steeds als niet ter zake doende van de hand gewezen.
Onverwacht worden de klagers toch opgeroepen voor een hoorzitting. Deze verloopt zeer vreemd, slechts een van de klagers mag het woord voeren. Zodra een van de anderen meent verweer te moeten geven op beschuldigingen van de tegenpartij wordt haar de mond gesnoerd en gezegd wanneer ze nog een keer wat zegt ze uit de zaal verwijderd zal worden,

De Rijdende Rechter wil eerst de uitspraak van de hoorzittingscommissie afwachten maar verzuimt de klagers er op te wijzen dat men hiertegen in beroep dient te gaan wanneer de uitslag ongunstig voor hen is. Na de uitspraak, waarin in het voordeel van de tegenpartij beslist wordt, probeert men dit mee te delen aan de Rijdende Rechter.
Deze blijkt echter met vakantie te zijn en komt niet voor september terug. Op dat moment is de termijn voor het bezwaar inmiddels verlopen, de klagers hadden er alle vertrouwen in dat hun zaak bij de Rijdende Rechter in goede handen was. Maar die gaven toen te kennen dat ze niets meer konden doen omdat de hoorzitting inmiddels geweest was en er een uitspraak was gedaan.

Vertwijfeld heeft men toen nog geprobeerd via de Nationale Ombudsman een wending aan de zaak te geven, maar deze schreef dat dit niet tot zijn competentie behoorde en hun enige mogelijkheid was bezwaar aan te tekenen tegen de uitspraak van de commissie, was de termijn verstreken dan was er niets meer aan te doen.

Zoals gezegd voelen de klagers zich geen recht gedaan en zijn zeer ontevreden over de gang van zaken. Ondanks eerdere toezeggingen, zowel mondeling als schriftelijk, verschuilt de Stichting zich nu achter de Gemeente. Hoe is het mogelijk, vragen ze zich af, dat zowel de Gemeente als de Stichting een illegaal geplaatst huisje gedogen en dan nog wel op een pleintje dat toebehoort aan de Stichting, die eerst zeer beslist het plaatsen ervan afwees.

 Zoals gezegd, ik onthoud me van ieder commentaar. Maar het zal iedereen duidelijk zijn hoe eerzame burgers in ons dorp behandeld worden.