AARDWORMEN

In een vorig artikel heb ik al eens mensen met aardwormen vergeleken. Niet erg aardig dus, voor de wormen dan wel te verstaan! Aardwormen zijn zéér nuttige dieren en daarom wil ik er wat meer over vertellen. Onderstaand verhaal is nog erg summier, ik ben me dan ook in het leven van deze dieren aan het verdiepen. Als boetedoening!

Er zijn enorm veel aardwormen soorten op deze planeet, enkele duizenden.
De meest bekende is wel de regenworm (Lumbricus terrestris). Deze wordt ongeveer 25 centimeter lang.
Het lijkt me wel aardig iets over de anatomie van de worm te vertellen.

Zoals ieder dier heeft ook een worm een voor- en achterkant.

De voorkant wordt vaak met anterior aangeduid, de achterkant met posterior.
Iedereen die wel eens een worm opgepakt heeft zal weten dat ze nogal vochtig, slijmerig zelfs aanvoelen.
Dat is nodig voor de worm om te kunnen overleven.

Verder komt de worm er wel bekaaid af, het heeft geen armen en benen en zelfs ogen en tanden zijn afwezig.
Toch kan de worm zich zeer goed handhaven.

Wanneer we de worm onder een vergrootglas leggen zien we de worm opgebouwd is uit vele segmenten.


Bij een volwassen kan het aantal segmenten varieren tussen 120 en 170.
De mond is te vinden bij het eerste segment, de anus bij het laatst segment.
Wanneer men de worm onder een microscoop legt zal men zien dat een worm niet kaal is, maar dat op elk segment zich een aantal borsteljes bevinden, setae genaamd. Deze doen dienst bij het voortbewegen van de worm, ze functioneren een beetje als remmen.


Dicht bij de mond bevindt zich een wat bredere, lichter gekleurde ring. De officiele naam daarvan is clitellum, wij gebruiken meestal de benaming zadel. Hiermee worden cocons aangemaakt, na verloop van tijd ontspruiten hieruit
de nieuwe wormpjes.

Het zadel ontstaat als de worm 4 tot 6 weken oud is. Het bevat zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantings- organen. Wanneer wormen paren plaatsen ze de zadels tegen elkaar met hun kop in tegengestelde richting.
Het sperma gaat van de ene worm naar de andere en wordt opgeslagen in zakjes. Vervolgens wordt er een cocon op beide zadels gevormd . Zodra de wormen uit elkaar gaan worden zowel sperma als eitjes gedeponeerd in de cocon, die zich vervolgens sluit en bevruchting plaats heeft. Deze cocons zijn erg klein, kleiner dan een rijstkorrel, en geel van kleur. In een cocon kunnen zich 1 tot 5 wormen bevinden. Is het erg droog dan zullen de wormen niet uitkomen doch een gunstiger omstandigheid afwachten. Dit kan desnoods enkele jaren zijn. De wormen groeien binnen 2 tot 3 weken op. Pas geboren wormen zijn ongeveer 1 tot 2 cm lang en witachtig, bijna doorzichtig. Ze staan wel meteen op eigen 'benen' en na een week of zes zijn ze in staat zelf nieuwe wormen voort te brengen .

 


Bekijken we nu eens de voorkant van de worm.

Helemaal vooraan lijkt het alsof er een flap over de mond hangt, deze heeft de fraaie benaming prostomium. Deze heeft een belangrijke functie, het voorkomt namelijk dat ongewenst voedsel niet in de mond geraakt.
De mond van een worm is relatief groot, het kan er zelfs een blad mee pakken en wegslepen.


Een worm heeft maar liefst 5 harten, wel begrijpelijk want gezien de lengte van de worm moet het bloed over lange afstanden verpompt worden.

Voortbewegen doet de worm zich door afwisselend andere spieren te gebruiken. Met de ene spiersoort kan het zich dikker maken en met de andere zich uitrekken. Door enkele segmenten dikker te maken kan het zich vastzetten in de grond, daarbij geholpen door de borsteltjes, terwijl door de ervoor liggende segmenten uit te strekken kan hij zich voortbewegen. Daarna zet het de voorste segmenten vast en trekt de erachter liggende segmenten daar naar toe. Op dezelfde wijze kan het zich ook achteruit bewegen.

 

 

Het voedsel is vrij afwisselend. Maar ook de worm heeft net als de mens zijn voorkeuren.


Een worm heeft geen tanden. Daarentegen heeft het vlak bij de mond een zogenaamde spiermaag, zoals we die ook bij vogels aantreffen.

Met het binnenhalen van het voedsel worden er ook fijne steentjes en zand naar binnen gewerkt en zorgen er voor dat het voedsel vermalen wordt. Zodra dit mengsel de spiermaag verlaat komt het in de darmen waar het oplost en in het bloed terecht komt. Het zal duidelijk zijn dat de worm hierdoor flink wat grond door zijn lichaam krijgt.